Het Statusmodel


Waarom we ons gedragen zoals we doen   (versie 1.8.6 ‐ november 2020)

We weten het allemaal: de baas heeft macht, de docent heeft overwicht en die overbuurman is dominant. Maar waarom vinden we dat? Wat doen ze precies? Het zit 'm niet alleen in het gedrag van die ander. Het belangrijkste zijn de verhoudingen die we ervaren.

Het Statusmodel legt uit waar communicatie in feite om draait: het vormgeven van die verhoudingen. Het model maakt duidelijk wát mensen doen en hóe ze dat doen. Het geeft woorden aan onze notie van verhoudingen.

Hieronder volgt een introductie van het Statusmodel. Het laat zien hoe we er communicatieproblemen door herkennen, aan kunnen pakken en oplossen. Het geeft je het gereedschap om gedrag te beïnvloeden, zowel op individueel niveau als op het niveau van bijvoorbeeld afdelingen, teams en organisaties.

Het statusmodel: Alle verhoudingen in beeld

Terwijl we straks zullen zien dat het Statusmodel gedrag beschrijft, brengt het ook helderheid in de drie soorten status die in het dagelijks gebruik door elkaar lopen.

We kennen status als maatschappelijke status, als functiegebonden status en als interactiestatus. We lichten ze alle drie toe.

Maatschappelijke status – Met behulp van maatschappelijke status, ook wel sociale of sociaal-maatschappelijke status, ordenen we de samenleving. De sociale status van een arts en een caissière verschillen. Ze wonen in een ander huis, hebben andere vrienden, dragen andere kleding, et cetera. De arts staat hoger op de maatschappelijke ladder dan de caissière.

Je kunt je voorstellen hoe deze verschillen invloed hebben op de manier waarop de arts en de caissière met elkaar omgaan als ze elkaar ontmoeten op de verjaardag van een gemeenschappelijke kennis.

Functiegebonden status – Organisaties en instellingen kennen een rangorde of hiërarchie. De directeur, de manager en de productiemedewerker hebben elk hun eigen plek in de functiegebonden hiërarchie. De functiegebonden status van de directeur is hoger, die van de productiemedewerker is lager.

(We spreken van functiegebonden status, omdat deze gebonden is aan de functie die iemand bekleedt. Het is iets anders dan 'functionele' status. Dat is een status – van welke soort dan ook – die functioneel is in de zin van passend, geschikt of correct in deze situatie.)

Interactiestatus –Tot slot drukken we, los van de vorige twee hiërarchieën, van moment tot moment verhoudingen uit met ons gedrag. Deze communicatieve verhoudingen kunnen afwijken van de maatschappelijke en/of de functiegebonden status. Terwijl de functiegebonden status van de verpleegkundige lager is dan die van de arts, kan de verpleegkundige de arts corrigeren. De koning met een hoge maatschappelijke status kan zijn excuses aanbieden aan zijn onderdanen.

Alle verhoudingen bestaan uit statusbewegingen

Hoe herken je communicatieve verhoudingen? En hoe realiseren of produceren we ze?

Statusbewegingen vanaf het eerste moment

Peter wil de vergaderruimte binnengaan. Zal Arnoud, die voor hem loopt, de deur voor Peter openhouden? Zo ja, op welke manier? Onderdanig, keurig buigend als een lakei? Of neerbuigend, met de neus in de lucht? In het gedrag van beiden is de onderlinge verhouding zichtbaar. Hun gezamenlijke acties en reacties tonen de communicatieve verhoudingen.

Arnoud komt als eerste bij de deur en houdt deze open voor Peter. Peter neemt de deurklink van hem over met de vriendelijke opmerking "na jou". De deur voor Peter openhouden is hem in status verhogen. Nadat Peter is verhoogd ‐ de deur werd voor hem open gehouden ‐ neemt hij de deurklink over en verhoogt hij Arnoud door hem vóór te laten gaan. Hiermee laat Peter meteen het wederkerigheidsprincipe zien: verhoogd worden vraagt om terugverhoging. Het is etiquette in statusbewegingen weergegeven.

In de voorbeelden van de deur openhouden zie je de vier statusbewegingen: je kunt jezelf in status verhogen of verlagen en je kunt de ander in status verhogen of verlagen.

De vier statusbewegingen zijn de bouwstenen van ons gedrag: al ons gedrag kunnen we beschrijven als verhogingen en verlagingen. Met de eindeloze combinatie van statusbewegingen vormen we alle gedragspatronen.

De vier statusbewegingen

Afbeelding 1    De vier statusbewegingen

Sociale status en functiegebonden status zijn tamelijk onbeweeglijk. Sociale posities en functies veranderen niet snel. De sociale en functiegebonden status hebben wel invloed op de statusbewegingen. We verwachten dat de arbeider de directeur laat uitspreken, maar kijken er niet van op als de directeur de arbeider onderbreekt.

Je kunt je voorstellen hoe het verschil in maatschappelijke status invloed heeft op de manier waarop een arts en een caissière met elkaar omgaan als ze elkaar ontmoeten op de verjaardag van een gemeenschappelijke kennis.

Hoe herken je verhogingen en verlagingen?

Niemand is zonder gedrag. De verhoudingen en de statusbewegingen kun je aflezen aan gedragskenmerken, zoals houding, beweging, stemgebruik en de woorden die je kiest.

In al die gedragselementen ‐ en de combinatie ervan ‐ kun je twee basiseigenschappen herkennen. Statusbewegingen hebben een subject en ze beïnvloeden de ervaren ruimte. De combinatie van deze eigenschappen laat zien om welke beweging het gaat.

De zelfverhoging en zelfverlaging zijn gericht op de persoon zelf. De anderverhoging en anderverlaging zijn juist op de ander gericht. De verhoging als beweging impliceert het innemen of krijgen van meer ruimte, terwijl we de verlaging als vermindering van ruimte ervaren.

Je kunt jezelf bijvoorbeeld op zo'n manier 'groter' maken, dat de hoeveelheid ruimte ‐ je zelfverhoging ‐ niet afhangt van wat anderen vinden. Stel je daarbij voor hoe je stem klinkt als je zegt "daar weet ik alles vanaf".

De statusbeweging verandert op het moment dat je eraan toevoegt "laat mij maar even" en de ander wegduwt bij de computer. Wat eerder nog een eenvoudige zelfverhoging leek, gaat vloeiend over in een anderverlaging. Je ontneemt de ander ruimte en waarschijnlijk verandert er bij dat laatste stukje tekst ook iets in je toon.

De hiervoor geschetste situatie pakken we in onze dagelijkse taal samen tot "zij nam ferm de leiding" of "zij nam hem niet serieus". In werkelijkheid zijn het twee statusbewegingen ‐ een zelfverhoging en een anderverlaging ‐ die elkaar snel opvolgen. Recht doen aan de situatie vraagt erom elk moment te labelen met een statusbeweging. Als je al die bewegingen op een tijdlijn uitzet, zie je patronen in de communicatie.

Eigenschappen in schema

Hieronder staan de twee basiseigenschappen in een tabel. Als je gedrag in haar elementen opknipt en ze stuk voor stuk volgens het schema rubriceert, ontstaat overzicht mét inzicht. Zowel de details als de communicatiepatronen komen dan in beeld.

zelf

ander

verhogen

zichzelf ruimte geven

de ander ruimte geven

verlagen

zichzelf ruimte ontnemen

de ander ruimte ontnemen

Tabel 1    De kerneigenschappen van statusbewegingen

In het dagelijks leven zijn we meer gewend om in posities te denken dan in bewegingen. We spreken over de maatschappelijke positie of over de functie (positie) die iemand in een bedrijf bekleedt. Het Statusmodel verplaatst de aandacht naar statusbewegingen. Bij interactiestatus gaat het om de opeenvolgende bewegingen. Het heeft weinig zin om van posities te spreken. Als je van iemand zegt dat hij een hogere of een lagere status is of heeft, beschrijf je geen gedrag, maar een positie in de groep.

Geen enkel moment is hetzelfde als het vorige. Verhoudingen kunnen per moment verschillen, gedrag varieert voortdurend. Dat geeft communicatie haar dynamiek, haar beweging. De bewegingen zijn belangrijker voor het slagen van de communicatie dan de posities die we ermee vorm denken te geven.

Hoe de ander een beweging ervaart en inschat, kan in kleine gedragskenmerken zitten, zoals bijvoorbeeld de stand van het hoofd. Hoe groot het effect is van één wijziging, zie je aan de afbeeldingen van de Madonna van Botticelli hieronder.

Madonna: origineel

Afbeelding 2    Origineel

Madonna: gekanteld

Afbeelding 3    Hoofd gekanteld

Verhoudingen bezien als foto of film

Neem een foto, een enkel moment in de tijd. Al snel bedenk je er een reeks beelden bij. Een filmpje waardoor je beter begrijpt ‐ of bij elkaar fantaseert ‐ waar dit moment vandaan komt en waar het heen gaat. Je geeft de foto meer context. Ze krijgt geschiedenis en toekomst.

Die context voeg je toe om het 'gedrag' op de foto te begrijpen. Je ziet een foto met twee boksers in gevechtshouding in de ring en zegt: "kijk wat die twee aan het doen zijn!" Automatisch maak je van de foto een minifilm.

Communicatie is geen foto, maar een doorlopende film. Als je die film echt wilt ervaren, is het beter om er geen foto van te maken. Net als het affiche slaat het de film plat. Het kan prima zijn om een verhouding 'samen te vatten', maar om de personages tot hun recht te laten komen, kom je er niet omheen om al hun statusbewegingen in je beschrijving mee te nemen.

Behalve dat we van een film beter geen foto kunnen maken, is het een uitdaging om de beschrijving van die film echt overeen te laten komen met de film zelf. Een film laat een ontwikkeling van personages en ontwikkeling van verhoudingen zien. Daar past alleen een beschrijving van bewegingen bij, van dynamiek, niet van posities.

Welke gedrag is het beste?

Alle vier de statusbewegingen zijn even belangrijk, de ene beweging is niet beter of belangrijker dan de andere. De situatie bepaalt welke bewegingen je het beste kunt gebruiken en in welke mate je ze moet toepassen. Alleen de keuze voor een bepaalde beweging kan in een gegeven situatie goed of fout zijn. Als statusbewegingen op zichzelf fout waren, zou dit de onderlinge communicatie flink beperken, zoals uit het onderstaande blijkt:

Als ik ...

kan ik...

... mijzelf niet mag verhogen,

... niet zeggen dat ik vind dat ik gelijk heb.

... de ander niet mag verhogen,

... geen welgemeend compliment geven.

... mijzelf niet mag verlagen,

... geen oprechte excuses aanbieden.

... de ander niet mag verlagen,

... de ander niet terechtwijzen.

Tabel 2    De statusbewegingen zijn niet goed of fout

Alles gebeurt in een context

De context bepaalt of het gedrag van de betrokkenen 'klopt'. In de ene situatie is het verlagen of verhogen van jezelf of van de ander heel gepast. In een andere situatie vind je het juist ongepast. We illustreren dit met onderstaand voorbeeld van Marcel, een leraar, en Marlies, één van zijn leerlingen. We zien Marcel en Marlies in twee verschillende situaties.

In de klas – Marlies misdraagt zich in de klas. Ze schreeuwt voortdurend naar anderen. Marcel moet ingrijpen. Marlies neemt veel ruimte in en verhoogt zichzelf op een manier die niet bij de situatie past. Hier vinden we het passend als Marcel haar aanspreekt op haar gedrag, ofwel haar verlaagt. We zouden het ongepast vinden wanneer Marcel zichzelf verlaagt of door Marlies verder wordt verlaagd.

Bij Marlies thuis – Marcel is op huisbezoek en in gesprek met de ouders van Marlies. Ook nu zit Marlies weer te schreeuwen. We vinden het gepast als de ouders van Marlies haar verlagen: vader of moeder kunnen haar er op aanspreken en misschien zelfs straffen. Voor Marcel is dat minder passend. We zouden begrip op kunnen brengen voor Marlies als zij in deze context een statusverlaging door Marcel niet accepteert.

De context is in het statusmodel alles wat een situatie maakt tot wat ze is, en alles wat deze situatie onderscheidt van een andere situatie. Je kunt daarbij denken aan de betrokken personen, het tijdstip, de locatie, het onderwerp, de voorgeschiedenis, beweegredenen en nog veel meer.

Sommige delen van de context ken je of kun je zien. Je ziet de betrokken personen en de omgeving waarin je met de anderen communiceert. Uit gesprekken ken je een deel van de voorgeschiedenis.

Andere dingen blijven verborgen tot je er naar vraagt. Je kent niet de hele voorgeschiedenis en wat je er van weet is gekleurd door de mensen die je daarover sprak. Naar de beweegredenen van mensen kun je slechts gissen, tot je er expliciet naar vraagt.

Er zijn bij het voorbeeld van zojuist natuurlijk nog meer rollen en contexten te bedenken. Telkens blijkt, dat niet alleen de sociale posities of de functies bepalen of een statusbeweging gepast is of niet. Alle factoren die de situatie maken tot wat ze is, zijn van belang. Sociale en functiegebonden posities zijn daar slechts een onderdeel van.

De vraag is: wat is een effectieve interventie?

Je zou een collega die boos reageert misschien terecht willen wijzen (anderverlaging), maar het is effectiever om hem een kopje koffie aan te bieden (anderverhoging) en wellicht zelf even een stapje terug te doen (zelfverlaging). De context bepaalt welke positie en welke beweging effectief is.

Uitvechten of een kopje koffie?

Op zeker moment krijgt Theo bezoek van Agnes, een collega van een andere afdeling. Ze is boos: "Je zou mij vorige week het projectplan sturen, maar ik heb nog niets gezien!" Ze voelt zich blijkbaar erg verlaagd, zoals in haar gedrag zichtbaar is. Haar statusbeweging is de anderverlaging.

Theo is zich van geen kwaad bewust. Integendeel, hij zag net in de mail van Agnes de planning. Daar staat toch echt dat hij het plan pas volgende week moet sturen. Hij kan natuurlijk zijn gelijk halen, erom vechten, maar wat schiet hij daarmee op? Agnes zet misschien de hakken in het zand en dan gaat het van kwaad tot erger.

Theo besluit eerst de rust terug te brengen. Vervolgens ziet hij wel waar hij uitkomt. De vraag is hoe hij dat het beste kan doen.

Theo weet dat "doe eens rustig, ga eerst even zitten" averechts werkt. Ongeacht de toon – geruststellend of stellend – waarop hij deze tekst uit zou spreken, zou dat in deze situatie een verlaging zijn voor Agnes. Dus zegt Theo op rustige toon: "Ik begrijp dat er iets mis is gegaan. (Theo neemt de tijd) Laten we even kijken wat er precies gebeurd is. Wil je even gaan zitten? Kan ik je iets aanbieden?"

Theo gebruikt zijn stem, zijn houding en zijn bewegingen om Agnes ruimte te geven. Agnes verlaagde Theo. Theo bevestigt op zijn beurt de door Agnes neergezette rangorde met zijn gedrag. Daar hoeft Agnes dus niet meer om te vechten.

Als gevolg hiervan wordt Agnes rustiger. Haar anderverlaging neemt af en Theo krijgt meer ruimte. Uiteindelijk komt er een moment waarop Theo enige zelfverhoging (en misschien zelfs anderverlaging) kan gebruiken en Agnes dat accepteert. Wanneer het zover is, kan Theo de situatie tot een oplossing brengen.

Als er in een gesprek meer statusdynamiek mogelijk is, kom je gemakkelijker tot oplossingen die alle partijen accepteren.

Status = handeling + ervaring

Status is wat je doet en wat je ervaart. Het is je handelen, je gewaarwording en je reactie daarop:

  1. concreet handelen, het gedrag (iemand verhoogt en/of verlaagt zichzelf of een ander),
  2. je gewaarwording daarvan (je voelt je verlaagd of verhoogd),
  3. de interne reactie (wat je ervan vindt) en
  4. je reactie op die gewaarwording (je reageert in de vorm van gedrag: jezelf of de ander verhogen en verlagen).

In ons alledaagse taalgebruik lopen de concrete handeling en de interne reactie vaak door of over de gewaarwording heen. Dat geldt ook wel voor de reactie op de gewaarwording. Om gedrag beter te begrijpen moet je deze onderdelen uit elkaar halen en houden.

Status is de geschikte taal om expliciet en bespreekbaar te maken wat impliciet en voelbaar is.

Status is intuïtief, voelbaar en zichtbaar

Het Statusmodel geeft je de taal om te beschrijven wat je ervaart. Met status kun je je eigen gedrag en dat van anderen beschrijven zonder daar een oordeel over te geven. De taal van het Statusmodel loopt als het ware als een ondertiteling mee met de situatie en legt uit wat er gebeurt. De ondertiteling geeft geen oordeel, ze beschrijft alleen. Je kunt nog steeds vinden wat je van de situatie vindt, het Statusmodel geeft je de mogelijkheid om afstand te nemen.

Behalve dat je verhogingen en verlagingen kunt beschrijven, kun je ze ook voelen. Agnes voelt zich verlaagd en daarom reageert ze zo op Theo. Theo voelt zich verlaagd door Agnes en heeft de keuze: gaat hij haar terugverlagen of verlaagt hij eerst zichzelf? Door de ruimte die Theo haar geeft, voelt zij zich gerespecteerd, ofwel verhoogd. En uiteindelijk, als alles goed komt, voelt Theo zich prettig (verhoogd) door het resultaat dat hij bereikt heeft.

Het voelen van een verhoging of verlaging begint met een gebeurtenis in je lichaam of daarbuiten. Dat kan gedrag van iemand anders zijn, maar ook het omvallen van je flip-over. Je lichaam reageert daarop: je krijgt het warm of koud, je gaat zweten, blozen, trillen, je krijgt jeuk, et cetera. Veel van deze reacties zijn voor anderen waar te nemen. Vervolgens word je je bewust van wat er in je lichaam gebeurt als reactie op de situatie. Nu pas kun je spreken van 'voelen' en kun je bewust tot actie overgaan: je besluit wel of niet te reageren met bepaald gedrag.

Deze volgorde geeft de grote lijnen weer. Een nauwkeuriger beschrijving vind je bijvoorbeeld bij Damasio (2001, 2004), Sapolsky (1998, 2017).

Je weet intuïtief of je je verhoogd of verlaagd voelt en je reageert altijd, zelfs voor je je er bewust van bent. Daar hoef je dus niets voor te doen. Zowel dat gevoel als je reactie daarop kun je beschrijven met de taal van het Statusmodel. Elke gewaarwording die je als prettig zou kunnen betitelen, is een verhoging. Omgekeerd wijst het ervaren van een onprettig gevoel op een verlaging.

Status voelen, zien en verwoorden

Met het Statusmodel kan iedereen communicatieproblemen doorzien en aanpakken. "Met die afdeling valt niet te werken" en "ik kan goed met hem door één deur" worden hiermee inzichtelijk en tastbaar.

Bij alle communicatie zie je het gedrag van anderen. Of beter nog, je voelt het gedrag van anderen én van jezelf. Al je zintuigen vertellen je welke statusbewegingen plaatsvinden. Dat heeft voordelen.

Iemand arrogant vinden blijkt nu een gebrekkige manier om onder woorden te brengen dat je een te grote zelfverhoging bij de ander ervaart. Door deze zelfverhoging van de ander voel je je verlaagd. Zelf heb je een ander idee over wat de gepaste bewegingen zijn. Daardoor voel je deze verlaging zo sterk en roept ze een zekere weerzin op.

Met een arrogant persoon kun je misschien niks beginnen, maar zodra je de statusbewegingen benoemt, kun je de dynamiek beïnvloeden. Jij bepaalt of je de 'arrogante' medemens z'n begeerde verhoging kunt geven of dat je zijn zelfverhogingen moet temperen om je doel te realiseren.

Je kunt volledig op je gevoel afgaan. Met statusbewegingen kun je onder woorden brengen wat je voelt, ervaart en waarneemt. Je hoeft niet meer te twijfelen aan je oordeel 'is hij nu echt zo arrogant als ik denk', maar je kunt uitgaan van de waarneembare en voelbare dynamiek.

Door de verhouding van het moment te benoemen ‐ alleen voor jezelf of openlijk ‐ beschrijf je een situatie zonder te oordelen.

Het Statusmodel als handleiding

In veel boeken en workshops krijg je voorbeelden van succesvolle interventies, de best practices. In die best practices lijken de betrokkenen het allemaal precies te weten, verloopt alles volgens plan en hebben interventies vaak direct succes. Maar de 'praktijk' heeft geen plan. In de praktijk is het juist een kwestie van improviseren.

Improviseren betekent niet 'zomaar iets proberen'. Het helpt een leraar bijvoorbeeld als hij zijn vak beheerst en in zijn lessen de structuur en organisatie op orde heeft. Maar elke situatie, elk moment, is weer anders en vraagt om ander gedrag, om een andere interventie.

Om succesvol aan te sluiten bij de leerlingen zal de docent improviseren: vloeiend wisselen van statusbeweging naar statusbeweging.

Om gedrag te beschrijven, 'lees' je de opeenvolgende statusbewegingen. Dat kan hardop of stil in je hoofd. Statusbewegingen zijn automatisch lichaamsbelevingen, waarmee gedrag nooit meer ongrijpbaar is. Daarmee heb je de zekerheid dat je in elke situatie overeind kunt blijven.

Het is altijd een bewegingsprobleem

Elk probleem is er vanwege een gebrek aan of overdaad van een of meer statusbewegingen in je probleemgebied. Je communicatie weerspiegelt onvervalst je eigen statusrepertoire, ofwel jouw mogelijkheden en beperkingen om de vier statusbewegingen in bepaalde situaties te gebruiken. Je repertoire kun je uitbreiden, als je helder voor ogen hebt wat je wilt leren.

Misschien ben je gewend om leervragen en leerdoelen te formuleren als 'meer voor mezelf opkomen'. Het is moeilijk om met zo'n leerdoel aan de slag te gaan. Want hoe moet dat precies? Wat moet je doen of juist laten?

Het antwoord hierop kun je geven door de gewenste statusbewegingen te benoemen. Je zult bijvoorbeeld minder zelfverlaging en meer zelfverhoging moeten gebruiken, misschien gecombineerd met wat anderverlaging. Misschien kun je een concrete context beschrijven waarin je dat kunt oefenen. Zo word je met het Statusmodel ook regisseur van je eigen gedrag.

Ook tijdens het oefenen houd je de regie in handen. Hoe voelt het, de verhouding en beweging die je uitdrukt? Waar voel je dat? Hoeveel ruimte neem je in? Hoe reageert de ander? Hoe controleer je of de ander ook ervaart wat jij bedoelt?

Je bent effectief als je in staat bent, op jouw manier, adequaat te reageren met statusbewegingen die aansluiten op de situatie op dat moment en een gewenst effect sorteren.

Info over de auteurs

Henk en Luuk Stultiens studeerden Theorie der Gezondsheidswetenschappen aan de Universiteit Maastricht. Ervaringen in trainingen en interventies leerden dat vaak dezelfde patronen aan communicatieproblemen ten grondslag liggen. Door hun opleidingsachtergrond konden zij deze rode draad vanuit meerdere disciplines beschrijven. Dit leidde tot een multidisciplinaire beschrijving en onderbouwing van het Statusmodel.

Met een frisse kijk op communicatie ontwikkelen ze methodieken die gebaseerd zijn op interactiestatus. Deze methodieken zijn breed toepasbaar in training, management, beleid en drama.

Literatuur

Literatuur en achtergronden vind je op deze pagina

Let's Get In Touch!


© Stultiens & Stultiens